De Poortwachter van de Vilt

In Beugen vertellen ze nog steeds over Mare. Niet omdat het een mooi verhaal is, hoewel dat ook zo is, maar omdat het waar gebeurd is. Of in elk geval omdat iedereen die het gezien heeft, zweert dat het waar gebeurd is.

Mare was niet iemand die je snel opmerkte. Ze liep rond in dezelfde bruine jurk, altijd met modder onder haar nagels. Ze woonde in een hutje aan de rand van het ven, daar waar het riet begint en het dorp eindigt. Haar man was jaren geleden verdronken, dat wist iedereen. Ze had geen kinderen, alleen het moeras.

Ze kende elke plek waar je kon zakken. Elke sloot waar je voet kon blijven steken. Elke plek waar het water dieper was dan het leek. Mensen kwamen naar haar toe als hun koe verdwenen was, of als een kind te ver het veld in was gerend. Ze betaalden haar niet. Ze gaven haar soms brood of een paar eieren. Mare nam het aan of niet, afhankelijk van haar stemming.

Ze zei nooit veel. Ze keek naar het water, tuitte haar lippen en liep dan, met haar gele lantaarntje, gewoon een kant op. Soms met grote stappen, soms voetje voor voetje. Soms draaide ze halverwege om en ging terug. “Niet vandaag,” zei ze dan. “Het ven is niet in de stemming.”

De mensen dachten dat ze gek was. Maar hun koeien en kinderen kwamen terug. Dus bleven ze haar logischerwijs om hulp vragen. De nacht van de storm, dat was in ’47 of ’48, niemand weet het precies meer, liepen twee jongens van de kleinste boerderij het riet in. Domme jongens. Ze wilden wedden wie het verste kon gaan. Ze waren niet voorzichtig die dag, of op enige andere dagen trouwens.

Toen ze niet terugkwamen, verzamelde het dorp zich. Gewapend met fakkels, luide stemmen en veel lawaai gingen ze op pad. Mare stond erbij en keek. Ze zei niets. De mannen wilden het ven in gaan, maar Mare pakte de arm van de burgemeester. 
“Dit gaat niet werken,” zei ze. “Laat mij maar.” 
Dat was alles. Geen uitleg, geen waarschuwing, puur de woorden: dat gaat niet werken.

Ze liep het ven in. Alleen. Het was donker en het regende nog steeds. Het dorp wachtte. Dat was het ergste, het wachten. De moeder van één van de jongens huilde niet eens. Ze stond daar maar, met haar armen over elkaar, turend naar het riet. 
Tegen de ochtend kwamen de jongens eindelijk terug. Ze waren compleet doorweekt. Hun kleren waren gescheurd. Ze klappertandden en konden bijna niet praten. Maar ze leefden nog.

“Mare liep voor ons uit,” zei de ene jongen. “We konden haar niet goed zien, maar we hoorden haar voeten en zagen de schim van haar lantaarn. Dus dat volgden we. Ze zei dat we stil moesten zijn. Dat we niets mochten zeggen. Dus we zwegen.”

De volgende dag wilden de ouders Mare bedanken. Ze gingen naar haar hutje. Het was leeg. Niet leeg zoals iemand die is verhuisd. Maar leeg, alsof iemand was verdwenen. Haar spullen stonden er nog: een kopje op tafel, een sjaal op een stoel, maar Mare was weg samen met haar lantaarn. 
Ze zochten haar, maar tevergeefs, ze vonden niets. Sindsdien zeggen de mensen dat Mare in het ven is gebleven. 

Nu, als je vroeg in de ochtend door De Vilt loopt, als het nog grijs is en stil, voelen sommige mensen iets. Niet per se eng. Iets… voorzichtigs. Alsof er iemand checkt of je respectvol bent. 
De mensen die het riet plat trappen, die schreeuwen, die niet voorzichtig zijn, die verliezen het pad. En heel soms, als het water heel stil is en de mist net boven het riet hangt, zien mensen een silhouet aan de overkant.  

De mensen van Beugen zeggen dat het Mare is. Dat ze nog steeds checkt. Dat ze nog steeds zorgt dat iedereen voorzichtig is. Dat ze het ven beschermt. Ze zeggen het niet omdat ze het zeker weten. Ze zeggen het omdat ze het voelen.

En als je vroeg in de ochtend door De Vilt wandelt, voel jij het ook.

Meer volksverhalen